Het college
Het betreft een aanvraag voor de regularisatie van een paardenhouderij, nieuwe buitenpiste en stapmolen, uitbreiden van de stal, bouwen van een carport en tuinberging.
De omgevingsvergunning wordt als bijlage gehecht aan deze beslissing.
Het college van burgemeester en schepenen geeft de vergunning onder voorwaarde af aan de aanvrager
De ingedeelde inrichting of activiteit omvat voortaan:
| Rubriek |
Omschrijving |
Hoeveelheid aangevraagd |
Hoeveelheid |
Klasse |
| 6.5.1° |
1 verdeelslang (Nieuw) |
1 verdeelslang |
1 verdeelslang |
3 |
| 15.1.1° |
7 voertuigen en/of aanhangwagens (Nieuw) |
7 voertuigen |
7 voertuigen |
3 |
| 17.3.2.1.1.1°b) |
Opslag 0,85 ton mazout (Nieuw) |
0,85 ton |
0,85 ton |
3 |
| 19.6.2°b) |
Opslag van 400 m³ stro en hooi (Nieuw) |
400 m³ |
400 m³ |
3 |
| 28.2.c)1° |
Opslag 65 m³ dierlijke mest (60 m³ vaste mest en 5 m³ mestsappen) (Nieuw) |
65 m³ |
65 m³ |
3 |
| 32.4. |
Inrichting voor het africhten van paarden (Nieuw) |
1 buitenpiste |
1 buitenpiste |
2 |
De voorwaardelijke vergunning wordt afgegeven onder volgende voorwaarden en/of lasten:
Specifieke voorwaarden:
1. De verlichting van de buitenpiste moet zodanig geplaatst te worden dat ze minimale hinder veroorzaakt naar de omgeving. Dit wil zeggen dat de lichtbundels enkel naar de piste gericht worden en dat er gebruik gemaakt wordt van lichtkappen om lichtverstrooiing te voorkomen. Het aantal lichtmasten wordt beperkt tot drie masten aan weerszijden van de piste en één op elke kopse zijde.
2. De aanvrager zal zijn activiteiten uitvoeren binnen de normale gebruiksuren om geluidshinder en lichthinder in de avond te vermijden.
3. De uitgegraven grond van de wadi moet afgevoerd worden van het terrein en kan in geen geval worden gebruikt voor het lokaal ophogen van het terrein.
4. De voorziene aanplantingen moeten uitgevoerd worden in het eerstvolgende plantseizoen na het verkrijgen van de omgevingsvergunning. De aanvrager neemt alle nodige voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplant te laten slagen. Dit houdt een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief degelijk plantgoed in, het gebruik van steunpalen of wortelverankering indien nodig en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen wild-en/of veevraat. Bij uitval dient eventuele uitval opnieuw aangeplant te worden.
Algemene voorwaarden:
5. Uiterlijk acht dagen voor de start van de werkzaamheden moet door de verslaggever de startverklaring als elektronisch document rechtstreeks naar de energieadministratie doorgestuurd worden.
6. De bouwheer wordt er op gewezen omzichtig te werken ter hoogte van het openbaar domein. Bij ontegensprekelijke schade aan het openbaar domein aangericht door de bouwheer, zullen alle kosten aan hem doorverrekend worden.
Bijzondere milieuvoorwaarden:
1. De exploitant voorziet in een afvoer van de mestvaalt naar een ondergrondse aalput. De aalput mag geen overloop hebben naar de nabijgelegen gracht. De mestvaalt moet worden opgetrokken drie vloeistofdichte opstaande wanden en een vloeistofdichte vloer (cfr. Vlarem II – artikel 5.9.2.2. en artikel 5.9.8.5.). Elke lozing van mest is strikt verboden.
2. De aanvrager moet zich houden aan de bepalingen van het Mestdecreet, inzonderheid de Uitrijregeling voor mest.
3. De vulplaats van de mazouttank/voertuigen dient te zijn voorzien van een voldoende draagkrachtige en vloeistofdichte bodem. Het bevoorraden van de tank en voertuigen dient te gebeuren op een overdekte locatie met een vloeistofdichte vloer om enige verontreiniging te voorkomen (cfr. Vlarem II – artikel 5.17.4.1.16.). Er dienen altijd absorptiekorrels in de buurt aanwezig te zijn. De mazouttank dient nog te worden gekeurd voor ingebruikname. Dit dient te gebeuren door een erkend deskundige of erkend technicus (cfr. Vlarem II – artikel 5.17.4.3.17.). Bovendien dient de tank mogelijk te worden ingekuipt. Dit is van toepassing bij enkelwandige of dubbelwandige tanks zonder permanent lekdetectiesysteem (cfr. Vlarem II – artikel 5.17.4.3.1.). De exploitant laat voor alle zekerheid ook de niet-ingedeelde stookolietank bij de woning keuren. Deze bevindt zich namelijk in de nabijheid van een afvoergoot voor hemelwater. Elk risico op verontreiniging via deze afvoergoot moet worden voorkomen.
4. In het kader van de risicobeheersing wordt er ook verwezen naar artikel 4.1.12.1. van Vlarem II. De exploitant dient de nodige brandpreventiemaatregelen, detectie-, nood- en interventiemaatregelen te nemen. Deze zijn mogelijks onvoldoende op de inrichting. Bij brand kunnen er nefaste gevolgen optreden op vlak van dierenleed. Een rondgang van de brandweer is vereist. De maatregelen opgelegd door de brandweer dienen te worden opgevolgd. Dit kan via: https://oost-vlaams-brabant.hulpverleningszone.be/. Dit dient binnen de drie maand na de afronding der werken te zijn verwezenlijkt.
5. In het kader van de geproduceerde afvalstoffen moet de exploitant een contract af te sluiten bij een erkende inzamelaar conform de VLAREMA wetgeving. De verschillende afvalstromen dienen hierin te worden besproken. Dit dient binnen de drie maand te zijn verwezenlijkt.
Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van andere vergunningen of machtigingen, als die nodig zouden zijn.