Terug
Gepubliceerd op 04/05/2026

Besluit  OCMW-Raad

ma 27/04/2026 - 20:31

Deontologische code OCMW-raad - aanpassing.

Aanwezig: Roland Strouven, Voorzitter van de raad
Jo Roggen, Chris Jamar, Stijn Doms, Eva Prouvé, leden vast bureau
Danny Ruysen, Voorzitter bijzonder comité sociale dienst
Ingrid Claes, Elke Allard, Kevin Huybrechts, Nadia Najem, Kris Swinnen, Katrien Weckx, Herman Cox, Tom Droogmans, Tony Leyssens, OCMW-raadsleden
Herman Stiers, Algemeen directeur
Verontschuldigd: Rita Soetaerts, Joke Debehets, OCMW-raadsleden

De OCMW-raad

Juridische basis
  1. Het decreet lokaal bestuur, inzonderheid art. 39  en 74.
Voorgaande
  1. De OCMW-raadsbeslissing van 28 oktober 2019 houdende "Deontologische code gemeenteraad.".
Probleemstelling

De OCMW-raad dient een deontologische code vast te stellen.

Motivering

Op basis van het modelreglement van de Vereniging van Vlaamse steden en gemeenten (VVSG) werd er door een werkgroep van de OCMW-raad samengesteld uit vertegenwoordigers van elke fractie en onder leiding van de voorzitter een ontwerp van deontologische code opgesteld.

De deontologische code als volgt op te stellen:

Art. 1 – Voorkomen van (de schijn van) belangenvermenging en cliëntelisme

§1.

Een lokale mandataris staat in al zijn handelen, in het besluitvormingsproces en in het contact met burgers, steeds in dienst van het algemeen belang.

§2.

Een lokale mandataris gaat actief en uit zichzelf alle vormen van belangenvermenging (en de schijn ervan) tegen. Dit betekent dat:

  • een lokale mandataris de (in de regelgeving bepaalde) met het ambt onverenigbare functies niet vervult en erover waakt geen verboden handelingen uit te voeren of verboden overeenkomsten aan te gaan;
    Onverenigbaarheden: Decreet Lokaal Bestuur, Art. 10
    Verboden handelingen: Decreet Lokaal Bestuur, Art. 27, §2
  • een lokale mandataris niet deelneemt aan een bespreking en stemming, noch probeert het proces van besluitvorming in een andere fase van de besluitvorming in zijn voordeel te beïnvloeden, wanneer er sprake is van een beslissing waarbij belangenvermenging speelt;
    Gedrag bij stemming en beraadslaging: Decreet Lokaal Bestuur, Art. 27 §1 en §4
    Gedrag bij stemming en beraadslaging: Wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, Art. 6
    Gedrag bij stemming en beraadslaging: Burgerlijk Wetboek, Art. 1596
  • een lokale mandataris bij contacten met de burger het algemeen belang vooropstelt en niet de schijn wekt dat door politieke tussenkomst particuliere belangen (kunnen) begunstigd worden (cliëntelisme).

§3.

Een lokale mandataris vervult de rol van aanspreekpunt en informatiebemiddelaar voor de burger steeds op neutrale basis, zonder persoonlijke bevoordeling van een of meerdere burgers in een dossier dan wel het wekken van de schijn daarvan.

§4.

Ter voorkoming van overschrijding van de onder 1.1 en 1.2 beschreven normen, engageren alle mandatarissen zich tot het aanleveren, en up-to-date houden van de volgende gegevens bij de algemeen directeur:

  • een lijst van alle betaalde en onbetaalde mandaten en bestuurlijke nevenfuncties;
  • een lijst waarin zijn opgenomen: de substantiële financiële belangen (bijvoorbeeld aandelen of opties) in een onderneming waarmee de gemeente zaken doet of waarin de gemeente een belang heeft.

De aangelegde lijsten zijn op aanvraag door de lokale mandatarissen in te kijken bij de algemeen directeur.

§5.

Ter voorkoming van overschrijding van de norm beschreven onder § 3 zorgt de algemeen directeur ervoor dat dossierbehandelende personeelsleden alle tussenkomsten opnemen in het desbetreffende administratieve dossier. Louter informatieve vragen of vragen/tussenkomsten van uitvoerende mandatarissen in het kader van hun functionele en hiërarchische relaties met de behandelende personeelsleden of diensten, vallen daarbuiten.

 

Toelichting bij belangenvermenging en de schijn ervan

Belangenvermenging betekent dat het algemeen belang wordt vermengd met het rechtstreekse belang van de mandataris, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, hetzij via het persoonlijke belang van de huwelijkspartner, van de wettelijke samenwonende partner, of van bloed- en aanverwanten tot en met de vierde graad van de mandataris. Hierdoor is de zuiverheid van besluitvorming of handelen in het algemeen belang niet langer gewaarborgd. Niet alleen feitelijke belangenvermenging, maar ook de schijn ervan moeten worden vermeden.

Een aantal termen vragen om verduidelijking:

‘Belang’: niet alleen financiële maar ook ‘morele’ belangen worden hieronder verstaan. Bijvoorbeeld: de OCMW-raad beslist over het tot bouwgrond maken van het stukje natuur palend aan de tuin van de mandataris.

‘Rechtstreeks belang’: een belang van de mandataris dat wordt bevorderd of benadeeld door een voorliggende beslissing. De vraag moet gesteld worden: kan iemand nog met redelijke zekerheid objectief aanwezig zijn/meebeslissen in een bestuursorgaan? Bijvoorbeeld: in de raad wordt over extra financiële ondersteuning beslist voor de sportclub waarvan een lokale mandataris de voorzitter is.

‘Persoonlijk belang’: het moet gaan om een belang dat gebonden is aan de persoon van de mandataris. Dit in tegenstelling tot een collectief belang dat overlapt met het belang van de mandataris. Bijvoorbeeld: de mandataris die een auto bezit mag wél meestemmen over het parkeerbeleid in de gemeente.

‘De schijn van’: niet zozeer het toevallige beeld van de burger is hierbij leidend. Het gaat erom dat bepaalde gedragingen van de lokale mandataris het voor de burger aannemelijk maken dat deze mandataris in de verleiding kan komen om de belangen te vermengen. Bijvoorbeeld: een mandataris is jongerenbegeleider. Vanwege overlast wordt de locatie waar de mandataris werkt mogelijk gesloten. De mandataris start een petitie en stuurt een ingezonden brief naar de krant. De mandataris neemt vervolgens ook deel aan de beraadslaging en stemming over de sluiting van de locatie. De in Art. 1.3 vastgelegde verplichting gaat verder dan de bestaande wetgeving. De OCMW-raad ziet het aanleveren van deze gegevens als een beschermmaatregel voor de mandatarissen. Naast het feit dat transparantie op belangen en netwerken mogelijke suggestieve aantijgingen ontmoedigt, zal deze er ook voor zorgen dat mandatarissen elkaar gemakkelijker waarschuwen bij mogelijke risico’s op belangenvermenging

Toelichting bij cliëntelisme en de schijn ervan

Lokale mandatarissen zijn een aanspreekpunt voor burgers. Mandatarissen kunnen hen de geijkte paden wijzen of hun ongenoegen over de werking van het lokaal bestuur aanhoren. Er zitten echter grenzen aan deze rol. Die grens wordt getrokken bij cliëntelisme: een vorm van politieke klantenbinding door het aanbieden of uitvoeren van diensten en hulp aan individuele burgers met het doel de stem van die burger te winnen. In essentie zet een mandataris zich in die gevallen in voor het particulier belang en niet het algemeen belang.

Er wordt dan ook wel gesproken over ‘dienstbetoon’. Tussenkomsten om dossiers te bespoedigen dan wel te beïnvloeden vallen hier bijvoorbeeld onder.

 

Art. 2 – Tegengaan van oneigenlijke beïnvloeding en de schijn ervan

§1

Een lokale mandataris mag zijn invloed en stem niet laten kopen of beïnvloeden door, noch aanbieden voor geld, goederen, diensten of andere gunsten die hem gegeven of beloofd werden.

Regelgeving inzake corruptie: Strafwetboek, Art. 245

§2

Een lokale mandataris moet actief en uit zichzelf de schijn van beïnvloeding en partijdigheid tegengaan. De mandataris doet dit door:

  • geen geschenken, diensten of andere voordelen te aanvaarden, behalve diegene die van een geringe geldwaarde zijn (zoals een bloemetje) en waarbij het beeld van beïnvloeding minimaal is;
  • niet in te gaan op uitnodigingen betaald door anderen, behalve als deze direct relevant zijn voor de goede invulling van het ambt, functioneel zijn opgezet en van (relatief) beperkte waarde zijn. Bovendien houdt de mandataris rekening met de timing en context waarbinnen de uitnodiging wordt gedaan, met het doel de schijn van beïnvloeding te minimaliseren.

§3

Het geven van geschenken aan, dan wel het uitnodigen van derden gebeurt nooit in eigen naam, maar altijd in naam van het lokaal bestuur. Daarbij zal men er steeds waakzaam voor zijn alle vormen van partijdigheid, bevoordeling en/of uitsluiting te vermijden.

§4

Ter bevordering van de transparantie en het voorkomen van enige schijn van beïnvloeding spreken de mandatarissen onderling af dat:

  • geschenken met een meer dan geringe geldwaarde die toch bij een mandataris in het bezit komen, worden gemeld aan de algemeen directeur. De mandataris meldt het hoe dan ook wanneer een geschenk op het thuisadres wordt afgeleverd. De algemeen directeur registreert de giften en geeft ze in alle transparantie een bestemming binnen het lokaal bestuur. Buitensporige geschenken worden alsnog teruggestuurd.
  • uitnodigingen die bestemd zijn voor de gehele OCMW-raad, door de OCMW-raad worden beoordeeld. Het is de raad als geheel die de uitnodiging accepteert dan wel afwijst. 

Toelichting 

Burgers wensen mandatarissen die met de voeten in de figuurlijke klei staan. Het is dan ook niet ongewoon dat mandatarissen aanwezig zijn bij festivals of sportwedstrijden e.d.m. Hiervoor ontvangen ze veelal ook een uitnodiging. Net als de (meestal kleine) geschenken die een mandataris kan ontvangen, zullen de meeste mandatarissen aangeven dat deze hun besluitvorming niet zomaar zullen beïnvloeden. Toch moet men opletten. Beïnvloeding werkt subtiel en de meeste mensen zullen er onbewust na verloop van tijd toch gevoelig aan raken. Belangrijker nog: een mogelijk onschuldig geschenk of een gepaste uitnodiging kan nog altijd een negatieve reactie opwekken. De schijn van beïnvloeding is nooit ver weg, vooral niet in dossiers waarover veel te doen is. Daarom moeten mandatarissen ook rekening houden met het moment waarop en de context waarin een geschenk of uitnodiging wordt overhandigd. Een geschenk in ontvangst nemen tijdens de onderhandelingsfase bij een gunning of op een uitnodiging ingaan voor een bezoek aan een uiterst gecontesteerd initiatief, kan onverstandig zijn, omdat het een schijn van beïnvloeding nalaat.

 

Art. 3 – Verantwoord gebruik van faciliteiten en middelen van het lokaal bestuur 

Terugbetaling en verantwoording kosten: Besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2018 houdende het statuut van de lokale mandataris, Art. 35

§1

Een lokale mandataris gebruikt de voorzieningen en eigendommen van het lokaal bestuur niet voor privédoeleinden.

§2

Lokale mandatarissen gaan verantwoord en op een sobere wijze om met de publieke middelen en vergoedingen die tot hun beschikking staan.

§3

Lokale mandatarissen die gebruik maken van de onkostenvergoedingen leggen hier op een transparante wijze en volgens de afgesproken procedure verantwoording over af.

Bepaling van en procedure voor terugbetaling specifieke kosten (huishoudelijk reglement): Decreet Lokaal Bestuur, Art. 38

§4

De algemeen directeur rapporteert jaarlijks over de gedeclareerde onkostenvergoedingen aan de OCMW-raad.

Art. 4 – Zorgvuldige omgang met informatie

§1

De lokale mandataris bewaakt het geheime karakter en de vertrouwelijkheid van informatie. Dit betekent dat de mandataris:

  • het beroepsgeheim eerbiedigt wanneer hij kennisneemt van geheime informatie;
    Beroepsgeheim: Strafwetboek, Art. 458
  • zich gebonden weet door de geheimhoudingsplicht voor de feiten, meningen en overwegingen gedeeld tijdens een besloten vergadering.
    Geheimhoudingsplicht: Decreet Lokaal Bestuur, Art. 29, §4
    Openbaarheid van de vergadering: Decreet Lokaal Bestuur, Art. 2Vertrouwelijkheid van informatie: Wet van 27 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten, Art. 10, §2
    Gegevensbescherming: Algemene Verordening
    Gegevensbescherming van 27 april 2016
  • Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer de wet de openbaarheid voorschrijft.
    Toegang tot bestuursdocumenten: Bestuursdecreet, art. II.26 e.v.

§2

Lokale mandatarissen gaan discreet en voorzichtig om met de informatie waartoe zij toegang hebben. Dit houdt onder andere in dat de mandataris:

  • over (nog) niet openbare informatie niet communiceert;
  • feiten en omstandigheden ten aanzien van derden in de juiste context plaatst.

§3

Lokale mandatarissen gebruiken de informatie waartoe zij toegang hebben vanuit hun ambt nooit voor het eigen belang of voor het persoonlijke of zakelijke belang van derden.

 

§4

Lokale mandatarissen zijn open en eerlijk over de redenen en inzichten op basis waarvan zij hun stem uitbrengen.

§5

Voor de eenduidigheid en transparantie over informatieaanvraag, -ontvangst en deling spreken de lokale mandatarissen af dat communicatie die verband houdt met de concrete afhandeling van dossiers, steeds via hun officieel emailadres verloopt

Art. 5 – Respectvolle omgang met anderen

§1

Lokale mandatarissen gaan op respectvolle wijze om met elkaar, de algemeen directeur en andere personeelsleden, evenals met de burgers, in woord, gebaar en geschrift.

§2

Lokale mandatarissen zaaien geen twijfel over elkaars integriteit. Zij erkennen en bevestigen elkaar actief in hun streven naar het dienen van het algemeen belang vanuit hun ambt, rol en politieke kleur.

§3

Lokale mandatarissen onthouden zich in het openbaar, dus ook in openbare raads- en commissievergaderingen, van negatieve uitlatingen over individuele personeelsleden.

§4

Een lokale mandataris staat op dezelfde gewetensvolle manier ten dienste van alle burgers, zonder onderscheid van geslacht, geaardheid, huidskleur, afstamming, sociale stand, nationaliteit, filosofische en/of religieuze overtuiging, ideologische voorkeur of persoonlijke gevoelens. 

§5

Bij onenigheid in de onderlinge omgang of de gang van zaken tijdens of buiten vergaderingen gaan mandatarissen, mogelijk onder begeleiding, in eerste instantie het gesprek aan met elkaar. 

Toelichting 

Waar liggen de grenzen binnen het politieke spel? Een grap kan nog. Een verhitte discussie kan voorvallen wanneer de dossiers ergens over gaan. Kritiek kan worden geleverd op de resultaten van beleid in de praktijk.  De integriteit van een collega-mandataris in het publiek betwijfelen, een schepen seksistisch toespreken, een personeelslid met naam en toenaam aan de publieke schandpaal nagelen, … zijn dan weer evidente voorbeelden die de grenzen overschrijden. Ook in het heetst van de politieke strijd moeten lokale mandatarissen beseffen dat dergelijk gedrag schadelijk is voor de geloofwaardigheid van het lokaal bestuur en op termijn nefaste gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het gezamenlijke proces van besluitvorming.

 

Deel 3: Naleving en Handhaving

Art. 6 en 7: Het voorkomen van mogelijke schendingen 

Art. 6

Wanneer een lokale mandataris twijfelt of een eigen handeling een overtreding van de code zou kunnen zijn, moet dit bespreekbaar gemaakt kunnen worden. Dit kan zijn binnen de eigen fractie, met een collega-mandataris, met de algemeen directeur of eventueel met een externe deskundige, zoals een medewerker van de VVSG (contactformulier VVSG).

Art. 7

Wanneer een lokale mandataris twijfelt over een nog niet uitgevoerde handeling van een andere lokale mandataris, dan waarschuwt hij die persoon, mogelijk met het advies om informatie in te winnen bij de algemeen directeur of een medewerker van de VVSG (contactformulier VVSG).

Art. 8 en 9: Het signaleren van vermoedens van schendingen van de deontologische code

Art. 8

Wanneer een lokale mandataris eraan twijfelt of een regel van de deontologische code is overtreden door een andere lokale mandataris, dan kaart de mandataris dit bij voorkeur aan bij de mandataris in kwestie. Indien er goede redenen zijn om dit niet te doen, dan zal de mandataris de kwestie voorleggen aan de algemeen directeur of een medewerker van de VVSG (contactformulier VVSG). 

Al dan niet na een gesprek met de algemeen directeur of een medewerker van de VVSG, kan de mandataris overgaan tot een formele melding bij de voorzitter van de deontologische commissie. Vanaf dit moment start het formele handhavingsproces onder mandaat van de deontologische commissie.

Art. 9

De volgende personen kunnen een melding van een schending van de deontologische code doen bij de deontologische commissie:

  • alle lokale mandatarissen van het lokaal bestuur;
  • de algemeen directeur, indien de algemeen directeur zelf een vermoeden van een schending heeft, dan wel in naam van een personeelslid van het lokaal bestuur.

Toelichting 

De deontologische commissie is een commissie ‘van, voor en door’ mandatarissen. Om deze reden kunnen alleen zij formeel een melding doen. Gegeven de rol van de algemeen directeur, zal ook deze de mogelijkheid hebben een melding te maken. Dit sluit niet uit dat eventuele vermoedens van schendingen via andere kanalen aangebracht kunnen worden (denk aan burgers, de klachtencoördinator, …) bij een van de personen die een formele melding kunnen doen.

Burgers, leveranciers en anderen die een klacht willen indienen, verwijzen we graag door naar de daarvoor bestemde procedure.

 

Art. 10,11, 12, 13, 14 en 15 : Het duiden en onderzoeken van vermoedens van schendingen van de deontologische code.

Art. 10

De OCMW-raad richt een deontologische commissie op  voor de OCMW-raad.

Het doel van de deontologische commissie is eerst en vooral het bevorderen van het zelfcorrigerend vermogen van het lokaal bestuur.

In de deontologische code worden de volgende zaken vastgelegd over de deontologische commissie:

a. samenstelling

b. bevoegdheid

c. werking 

a. Samenstelling

  • Het aantal leden van de deontologische commissie bedraagt 1 per fractie en evenveel als het aantal fracties in de OCMW-raad, aangevuld met de voorzitter van de OCMW-raad, die wordt toegevoegd als voorzitter van de deontologische commissie. Onafhankelijke raadsleden zijn geen onderdeel van een fractie en zijn niet vertegenwoordigd in de deontologische commissie.
  • Bij aanmelding van meer dan één fractielid beslist de raad welk fractielid zal zetelen in de deontologische commissie. 
  • Iedere fractie draagt één of meer plaatsvervangers voor, in geval een lid van de commissie afwezig is of betrokken is bij een voorliggende zaak.
    • Gaat het om een mogelijke schending van de code door een lid van de commissie, dan wordt tijdens de hele procedure daarover het lid vervangen door een plaatsvervanger in de volgorde waarin ze door de fractie werden voorgedragen.
    • Gaat het om een mogelijke schending van de code door de voorzitter van de commissie, dan wordt tijdens de hele procedure daarover de voorzitter vervangen conform de procedure beschreven in art. 7, § 5, derde lid van het Decreet Lokaal Bestuur.
    • De leden van de deontologische commissie zijn lokale mandatarissen uit het eigen lokaal bestuur.
    • Elke fractie wijst het mandaat in de commissie toe met een voordracht gericht aan de voorzitter van de OCMW-raad.
    • De leden van de deontologische commissie leggen een vertrouwelijkheids- en neutraliteitsverklaring af.
    • De deontologische commissie kan externe expertise inroepen wanneer dit nodig wordt geacht. De inschatting of dit nodig is wordt bij de algemeen directeur gelegd, die hierin zelfstandig kan handelen.
    • De algemeen directeur vervult de rol van secretaris in de deontologische commissie en voert onder mandaat van de commissie de ontvankelijkheidstoets en het vooronderzoek uit, mogelijk ondersteund door interne en/of externe specialisten.
    • Wanneer de algemeen directeur zelf betrokken is bij een melding, dan wel om legitieme redenen geen rol kan spelen in het proces, zal deze worden vervangen door het daartoe aangewezen personeelslid. Het vooronderzoek kan indien noodzakelijk ook extern worden gevoerd.

 

b. Bevoegdheid 

  • Het geven van adviezen en aanbevelingen aan de raad over de inhoud van deze code met het oog op het bijsturen ervan of op de toepassing van de code op een voorliggend vraagstuk.
  • Het opmaken van een jaarlijks verslag ter voorbereiding op de evaluatie van de deontologische code door de OCMW-raad (zie art. 18).
  • Het ontplooien van initiatieven en opleidingen ter sensibilisering op thema’s rondom integriteit, deontologie en de deontologische code.
  • Het zelf uitvoeren, dan wel mandateren, van de voorgeschreven stappen in het proces, van melding tot en met afronding van een melding van een vermoeden van schending van de code.
  • Het formuleren van een gemotiveerd advies aan de raad over het vermoeden van een schending van deze code door een mandataris.

c. Werking

  • De commissie vergadert twee keer per jaar.
  • De voorzitter van de deontologische commissie is verantwoordelijk voor de oproeping en stelt de agenda op. 
  • De voorzitter roept de commissie in ieder geval bijeen wanneer dat nodig is conform art. 14 van deze code.
  • De commissie streeft naar unanimiteit in haar oordeel. Als dit niet mogelijk blijkt, zal er hoofdelijk worden gestemd. Een simpele meerderheid volstaat dan.
  • De voorzitter van de commissie heeft geen stemrecht in de deontologische commissie, behalve wanneer de commissie gelijk verdeeld is in haar oordeel. Dan heeft de voorzitter de doorslaggevende stem.
  • De vergaderingen van de deontologische commissie zijn niet openbaar.
  • Eventuele communicatie vanuit de deontologische commissie vindt altijd en alleen plaats via de voorzitter van de commissie.

Toelichting

De leden van de deontologische commissie worden verzocht neutraal en objectief te oordelen over meldingen van vermoedens van schendingen. Om deze reden wordt ervoor gekozen de verhoudingen in de commissie niet de verhoudingen in de OCMW-raad te laten volgen, maar om iedere fractie één lid voor te laten dragen. Uitzonderlijk zal de fractie die de voorzitter voordraagt twee leden hebben in de commissie. Om de balans tussen de fracties te bewaken zal de voorzitter daarom geen stemrecht hebben, behalve dan wanneer er een gelijke verdeling van stemmen is.

Art. 11

De deontologische commissie mandateert de algemeen directeur om een ontvankelijkheidstoets uit te voeren. De algemeen directeur kan daarin bijgestaan worden door interne en/of externe experten.

Om de ontvankelijkheid te onderzoeken zal altijd een gesprek plaatsvinden met de melder. Een melding is ontvankelijk wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • de melding betreft een individuele (zittende) lokale mandataris;
  • het staat vast dat het gaat om een vermoedelijke schending van de deontologische code (en niet bijvoorbeeld om een schending binnen de privésfeer);
  • de melding is voldoende betrouwbaar en concreet (er wordt gekeken naar de kwaliteit van de bron(nen) en de feitelijkheid van de melding);
  • de melding is in alle redelijkheid onderzoekbaar en heeft onderzoek nodig (niet alle vermoedens zijn onderzoekbaar of vragen om onderzoek - denk aan een schending van art. 5 (interpersoonlijke schendingen), waarbij geen getuigen van het voorval aanwezig zijn).

Iedere melding wordt vertrouwelijk behandeld. In deze fase is de naam van de melder en degene over wie de melding gaat slechts bekend bij de leden van de deontologische commissie en bij de eventueel door de algemeen directeur aangestelde experten.

Art. 12

De algemeen directeur formuleert een ontvankelijkheidsadvies en stuurt dit, inclusief de onderliggende stukken die deel uitmaken van het advies, aan de leden van de commissie ter beoordeling. Indien de leden van de deontologische commissie niet binnen de tien werkdagen bezwaar maken op het advies, dan wordt het advies over de ontvankelijkheid formeel omgezet in een beslissing van de deontologische commissie, als uiteindelijk verantwoordelijke voor de beslissing. Indien één lid bezwaar aantekent tegen het advies van de algemeen directeur, zal de deontologische commissie bijeenkomen voor de bespreking en beoordeling van het advies.

Wanneer het advies luidt dat een melding ontvankelijk is, neemt de algemeen directeur de onderzoeksvraag op in het advies aan de deontologische commissie.

Wanneer een melding niet-ontvankelijk is, betekent dit meteen het einde van de formele procedure. De melder wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de algemeen directeur, in naam van de deontologische commissie.

Een melder kan een melding ook zelf intrekken. Wanneer het om een interpersoonlijke schending gaat, betekent dit in principe het einde van de formele procedure. Bij een schending van de andere gedragsregels (bijvoorbeeld belangenvermenging) zal de formele procedure door blijven lopen. De melding is in dit geval niet gebonden aan degene die de melding doet.

Art. 13

Bij een ontvankelijke melding start de algemeen directeur, onder mandaat van de commissie, een vooronderzoek. De algemeen directeur kan zich hierbij door interne en/of externe experten bij laten staan.

De vermeende schender wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van het vooronderzoek door de algemeen directeur, behalve wanneer de commissie acht dat dit het vooronderzoek kan schaden. De vermeende schender wordt erop gewezen dat deze zich tijdens het proces mag laten bijstaan door een raadspersoon naar keuze. 

De commissie bepaalt waaruit het vooronderzoek zal bestaan. Het vooronderzoek bestaat in ieder geval uit:

  • het in kaart brengen van de feitelijke situatie waarop de melding van toepassing is;
  • het nagaan van de beschikbaarheid van relevante (administratieve en feitelijke) informatie;
  • het nagaan van de relevante regelgeving;
  • een gesprek met de vermeende schender, behalve wanneer dit het vooronderzoek kan schaden.

Art. 14

De algemeen directeur brengt schriftelijk advies uit aan de deontologische commissie op basis van het vooronderzoek. 

Het conceptadvies wordt eerst ter lezing voorgelegd aan de voorzitter van de commissie.

Vervolgens wordt het concept ter inzage voorgelegd aan de vermeende schender, zodat deze de kans heeft schriftelijke opmerkingen te formuleren bij het conceptadvies. Deze opmerkingen worden als bijlage toegevoegd aan het schriftelijk advies aan de commissie. 

Het advies van de algemeen directeur, waarover de deontologische commissie beraadslaagt, beslaat in principe vijf mogelijke scenario’s waarop de commissie zich zal richten:

  1. Er zijn geen gronden gevonden voor een verder onderzoek of oordeel, of de melding betreft een dusdanige milde vorm van een schending dat ze afgedaan kan worden met het individueel aanspreken van de vermeende schender. 
  2. De vermeende schender heeft de schending erkend, zodat verder onderzoek door de commissie niet nodig is. De commissie wordt geadviseerd het dossier formeel af te sluiten en te komen tot een inschatting van de ernst van de schending.
  3. Er zijn voldoende gronden om te spreken van een deontologische schending. De deontologische commissie wordt geadviseerd om tot een eigen toetsing van de schending te komen en een inschatting te maken van de ernst.
  4. Er zijn voldoende gronden om te spreken van een deontologische schending. Er is echter nood aan verder onderzoek. De commissie wordt geadviseerd over de onderzoeksvraag, wie het onderzoek zou moeten opstarten/uitvoeren (de Vlaamse Regering/de provinciegouverneur, Audit Vlaanderen, een integriteitsspecialist, …) en wat de termijnen zijn.
  5. Er is een gegrond vermoeden van een strafrechtelijk vervolgbaar feit. De deontologische commissie wordt geadviseerd een zelfstandige beslissing te nemen om de melding neer te leggen bij de politie/het parket.

Art. 15

De deontologische commissie oordeelt op basis van het advies van de algemeen directeur over de te nemen vervolgstappen.

De melder en de vermeende schender hebben het recht om in deze fase te worden gehoord door de deontologische commissie. Voor beiden geldt dat zij zich in deze kunnen laten bijstaan door een raadspersoon. Geen van de partijen is verplicht zich te laten horen.

De commissie kan in het kader van het vooronderzoek ook getuigen horen.

Na het bestuderen van het advies van de algemeen directeur en het horen van de betrokkenen bespreekt de commissie het vermoeden van schending en wordt een gemotiveerd advies overgemaakt aan de OCMW-raad.   

De wijze van communiceren vanuit de OCMW-raad over de voorliggende zaak is onderdeel van het advies van de deontologische commissie.

Indien de deontologische commissie een schending heeft vastgesteld – omdat de schender deze heeft toegegeven of omdat ze uit het onderzoek is gebleken – dan neemt ze in haar advies ook de meest passende, proportionele vorm van afhandeling op, inclusief een beschrijving van de verzwarende en verzachtende omstandigheden bij het voorstel van afhandeling.

Er wordt een uitzondering gemaakt op deze regel wanneer:

  • er eerst een vervolgonderzoek nodig wordt geacht. Dit vraagt om beoordeling van de rapportage op het vervolgonderzoek.
  • er melding wordt gedaan bij de Vlaamse Regering/Audit Vlaanderen, dan wel wanneer er een politionele aangifte is gedaan. In dit geval informeert de commissie de OCMW-raad over de genomen stap.

De commissie streeft in haar oordeel naar unanimiteit. Een simpele meerderheid van uitgebrachte stemmen volstaat om tot een oordeel te komen. Indien er evenveel stemmen voor als tegen een oordeel zijn, dan heeft de voorzitter de doorslaggevende stem.

Een lid van de commissie kan ervoor kiezen een afwijkend standpunt op te tekenen en, met het advies aan de OCMW-raad, mee te sturen.

Art. 16 en 17: Het zich uitspreken over schendingen van de deontologische code 

Art. 16

De OCMW-raad beoordeelt of een mandataris een schending heeft begaan. Hij doet dit op basis van het gemotiveerd advies van de deontologische commissie. 

Als de raad beslist om af te wijken van het advies, dan moet de vermeende schender de kans krijgen om zich tijdens de besloten zitting van de OCMW-raad uit te spreken over de beslissing.

Wanneer de OCMW-raad vaststelt dat de deontologische code geschonden werd door een mandataris van de gemeente, dan kan de raad:

  • het gedrag van de mandataris uitdrukkelijk afkeuren;
  • vragen dat de mandataris zich publiekelijk verontschuldigt;
  • een dossier overmaken aan de Vlaamse regering zodat die een tuchtonderzoek kan instellen bij kennelijk wangedrag of grove nalatigheid van of door de burgemeester, een schepen, een districtsburgemeester, een districtsschepen, de raadsvoorzitter of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst.

Art. 17

Via de OCMW-raadsvoorzitter en de burgemeester communiceert de OCMW-raad over haar oordeel en (indien mogelijk) de gronden daarvan. De deontologische commissie adviseert de OCMW-raad voor haar communicatie.

Art. 18: Het evalueren van de deontologische code

Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert de raad de deontologische code. De raad vraagt daarvoor eerst advies aan de deontologische commissie. Daarbij wordt onder meer bekeken of de code nog actueel is, of ze nog goed werkt en of ze nageleefd wordt.